Leven voorbij het oordeel
Algemeen
We leven in een tijd waarin snel geoordeeld wordt. Een uitspraak, een foto of een fragment uit een interview kan voldoende zijn om iemand publiekelijk af te rekenen. Het oordeel is vaak snel, definitief en onverbiddelijk. De term cancelcultuur is inmiddels ingeburgerd. Sociale media hebben die neiging tot oordelen versterkt, maar het verschijnsel reikt verder. In het publieke debat, in het dagelijkse leven en ook in de kerk is er de neiging om snel een oordeel klaar te hebben over mensen en situaties.
Oordelen lijkt daarmee niet langer een moment in de zoektocht naar waarheid en recht, maar een definitieve uitspraak over de ander. Soms hoor je dan ook de wens om een oordeelvrije ruimte te creëren: een plek waar niemand over een ander oordeelt en iedereen zich veilig weet. Die gedachte is begrijpelijk. Toch is de oplossing niet simpelweg: minder oordelen. Een samenleving zonder oordeel zou geen recht kunnen doen. Ook de kerk kan niet zonder onderscheidingsvermogen. ‘De geesten onderscheiden gaf God ons als gebod’ (Lied 313:3). Oordelen hoort ook bij onze morele verantwoordelijkheid.
In dit verband trof mij de benadering van de anglicaanse theoloog Oliver O’Donovan in zijn boek The Ways of Judgment (2003). Tegen de stroom van onze tijd in verdedigt hij het belang van het oordeel. Oordelen is geen noodzakelijk kwaad, maar een wezenlijk onderdeel van menselijk handelen. Wie recht wil doen, zal moeten onderscheiden. Wie verantwoordelijkheid draagt, zal soms een oordeel moeten uitspreken.
Tegelijk waarschuwt O’Donovan ervoor ons eigen oordeel te overschatten. Menselijk oordeel is nooit absoluut. Wij kennen slechts ten dele. Ons onderscheiden blijft voorlopig en staat zelf onder het oordeel van God. Dat bewaart ons zowel voor de gedachte dat wij precies weten hoe de werkelijkheid in elkaar zit, als voor het relativisme dat ieder oordeel wantrouwt en daardoor geen recht meer kan doen.
O’Donovan ontwikkelt deze gedachten in eerste instantie met het oog op politiek en recht. Maar opvallend genoeg eindigt zijn boek niet bij het publieke domein. Het laatste deel draagt de veelzeggende titel Life Beyond Judgment. Daarmee verschuift het perspectief. De vraag is niet langer alleen hoe overheden rechtvaardig oordelen, maar hoe christenen leren leven vanuit het beslissende oordeel dat God in Christus heeft voltrokken, terwijl zij uitzien naar de dag waarop Hij alle dingen recht zal zetten.
Die beweging krijgt haar spits in het slothoofdstuk, The Longest Part. Aan de hand van Lucas 12:57-59 beschrijft O’Donovan het leven als een weg naar het oordeel. Jezus spreekt daar over mensen die onderweg zijn naar de rechter en juist onderweg tot inzicht en verzoening moeten komen. Daarmee draait de vraag om. Niet allereerst: hoe oordeel ik over de ander? Maar: hoe leef ik zelf als iemand die onderweg is naar Gods oordeel?
Misschien ligt juist daar het geheim van een leven voorbij het oordeel. Alleen wie leert leven voor Gods aangezicht, in het licht van Gods oordeel én genade, hoeft de ander niet vast te zetten in een definitief menselijk oordeel. De kerk is daarom geen oordeelvrije gemeenschap, maar een gemeenschap die leeft vanuit het oordeel én de genade van God, geopenbaard in het kruis en de opstanding van Christus.
Dat vraagt om een levenslange oefening. Vandaar The Longest Part. Leven voor Gods aangezicht is een weg waarop een mens langzaam leert zijn eigen gelijk te relativeren zonder de waarheid los te laten. Eerst leert hij luisteren, dan spreken. Hij oefent zich in onderscheiden zonder zichzelf tot rechter over de ander te maken. En hij ontdekt dat het geweten geen bron van onaantastbare zekerheid is, maar de plaats waar hij zich telkens opnieuw laat gezeggen door Gods Woord. Zo ontstaat ruimte om de ander werkelijk als medemens te ontmoeten: niet als vertegenwoordiger van een standpunt, maar als iemand die, net als wijzelf, voor Gods aangezicht staat en leeft van zijn ontferming.
ds. Hage
Gastschrijver