Een joodse kijk op het gebed
Algemeen
‘Bidden is acht slaan op het wonder’ – dit zinnetje van Abraham Joshua Heschel (1907-1972) gaat al jaren met mij mee. In één van zijn meest gelezen boeken, In het licht van Zijn Aangezicht (1954) is het terug te vinden op pagina 15. Iedere keer als ik deze woorden lees, blijven ze fonkelen en tot nadenken stemmen.
ZOEKTOCHT
Heschel was een joodse rabbijn, filosoof en theoloog die o.a. diep nadacht over gebed en de relatie tussen mens en God. Geboren in Polen en ontsnapt aan de Holocaust werd hij professor in New York. Voor hem is gebed niet enkel bestaand uit louter woorden, maar een antwoord op Gods zoektocht naar de mens.
God is op zoek naar ons. De allereerste vraag die God stelt aan de mens is deze: ‘Waar ben je?’ (Genesis 3 vers 9) ná het moment dat de mens bewust wordt van zijn en haar naaktheid, zich daarom kleedt met vijgenbladeren en zich verstopt tussen de bomen om uit het zicht te blijven van de Heer.
RADICALE VERWONDERING
Heschel spreekt in zijn boeken over ‘radicale verwondering’ die ons opent voor het heilige en gebed verandert in een intense ontmoeting.
Radicale verwondering verwijst naar een diepe, allesomvattende verwondering over het mysterie van het bestaan zelf – niet alleen over specifieke dingen, maar over het feit dat er überhaupt iets is.
Radicale verwondering omvat niet alleen wat we zien, maar ook het zien zelf en onszelf als verwonderde wezens. Een houding die niets als vanzelfsprekend beschouwt en ons uitnodigt tot lofprijzing en betrokkenheid. Onverschilligheid tegenover dit wonder noemt Heschel de wortel van de zonde.
Door het lezen van Heschel ben ik de vraag van God ‘Waar ben je?’ als een uitnodiging tot gebed gaan zien. Gebed is God zeggen: ‘Hier ben ik’. Hier ervaar ik de verwondering dat Hij mij niet afwijst als bidder, maar juist wil luisteren.
NUTTIG
In het net genoemde boek In het licht van Zijn Aangezicht kom ik prachtig verwoorde aforismen tegen en valt de directheid van Heschel op aangaande het gebed: ‘Van alles wat we doen is het gebed het minst nuttig, het minst werelds en het minst praktisch. Om die reden reinigt het gebed onze ziel.’
Het gebed gaat dus voorbij het nuttige, het concrete en het praktische zoals vooral tegenkomen in ons dagelijks leven en in de huidige cultuur. Alles heeft prijskaartjes en moet nuttig zijn. Via gebed komen we bij het wezenlijke uit.
WORSTELEN
Opvallend is dat Heschel in zijn boek In het licht niets zegt over het Hebreeuwse woord voor gebed: lehitpalleel. Dit is een wederkerend werkwoord met de betekenis van ‘worstelen’, ‘jezelf beoordelen’, ‘jezelf verbinden’.
Bidden is dus jezelf geestelijk erop voorbereiden in Gods aanwezigheid te staan en jezelf in ogenschouw te nemen in relatie tot God, je omgeving en jezelf. Het zelfstandig naamwoord bij lehitpalleel is tefilla. Strikt genomen is het gebed dus niet God bewegen om iets voor ons te doen, maar onszelf bewegen beter gebruik te maken van de mogelijkheden die Hij ons gegeven heeft.
TOEWIJDING
Heschel maakt duidelijk, dat we tijdens het gebed ‘staan in het licht van zijn Aangezicht’. Of: mógen staan.
Heschel noemt het woord kawwana, ‘innerlijke toewijding’ (p.21 en p.81-82) Kawwana is aandacht hebben voor God, het besef dat je voor Gods aangezicht mag staan. Het besef dat ieder woord dat niet met liefde en vrees tot gezegd wordt tot God, niet in de hemel komt. Dus hoe bereid je jezelf voor op het gebed?
TUIN
Tegelijk is het gebed voor Heschel ‘een ontdekkingsreis’ (p.39) Gebed is eerbiedig en zorgzaam stilstaan bij een woord. Dus niet afraffelen en haasten.
Wees je bewust van de bron van je gebed. Dat zijn dus niet je woorden, maar je ziel: ‘Wie bidt, moet zijn hart richten op elk woord. Hij is als iemand die rondgaat in een tuin en met grote zorg één voor één de bloemen plukt die hij nodig heeft om een krans te vlechten.
Dus bidden is eerst stilstaan bij welke woorden je gaat zeggen, voor je deze aanéénrijgt tot een zin. Het gebed begint met kiezen, proeven, voor je gaat spreken. Dus eerst de ontdekkingsreis door je eigen tuin voor je stil gaat staan in het licht van Gods Aangezicht.
AANSPREEKBAAR
Op p.61 lees ik dat staan in het licht van Gods Aangezicht wil zeggen: je bewust zijn van God, Zijn aanwezigheid in ons dagelijks leven bespeuren. Dat is geen gemakkelijke opdracht voor de mens waar we Gods aanwezigheid kunnen vinden in ons reilen en zeilen.
Om het nog ingewikkelder te maken: het gebed is gebaseerd op de veronderstelling dat wij met God kunnen spreken en al onze problemen kunnen voorleggen. Maar we spreken niet echt met God. We maken ons voor Hem aanspreekbaar.
Zoals Hij vraagt aan de mens ‘Waar ben je?, zo wordt gebed een poging dat je als mens het object van Zijn gedachten wordt.
ds. Robert-Jan van Amstel,
predikant GK Putten
Focus artikel