Groen van Prinsterer (1823), door Charles Howard Hodges
Groen van Prinsterer (1823), door Charles Howard Hodges

Partijman wezen, wil ik niet.

Algemeen

In 1854 kwam de scheiding der geesten tussen Beets en de Christelijke Vrienden nog scherper naar voren. In dat jaar werd vanuit Amsterdam een Adres aan Z.M. den Koning gericht over de verhouding van de kerk tot de theologische faculteiten aan de Nederlandse universiteiten. De opstellers beschuldigden de regering ervan dat zij door de aanstelling van professoren van de ‘moderne’ richting predikanten afleverde die geleerd hadden ‘de Belijdenis dier Kerk te verachten, en iedere grondwaarheid van het christendom door haar vooruitgezet te miskennen.’ Groen van Prinsterer en Da Costa zetten hun handtekening onder het adres. Beets, die net als zij een afkeer van de moderne theologie had, deed dat niet. Hij legde dat in een artikel in een tijdschrift uit. Hij verzette zich tegen de ‘scherpe en tegelijk koelbloedige toon van enkel verwijt’. Hij vond de tekst dus te radicaal. Hij bleef een conservatief predikant, maar hield ook vast aan zijn weigering om bij te dragen aan tweedracht. Zijn stellingname leverde verontwaardigde reacties op, onder meer van Groen van Prinsterer en Da Costa.

Het is wel duidelijk: in de loop der jaren nam Beets afstand van de Christelijke Vrienden van het Réveil. Hij sloeg een gematigde, ‘ethisch-irenische’ richting in. Het verbaast dan ook niet dat hij in 1864 niet meedeed met de oprichting van de Con..