Wat is de rol van de Geest bij een beleidsplan?
Algemeen
Toen de vraag mij bereikte om een bijdrage te leveren over het bovenstaande onderwerp was mijn eerste innerlijke reactie: kan ik hier wel iets over zeggen? Nu heb ik wel enige ervaring opgedaan met beleidsplannen. Ik kreeg er regelmatig mee te maken binnen de kerk tijdens mijn loopbaan als gemeentepredikant, als gemeentelid, en veelvuldig buiten de kerk als theoloog en leiderschapscoach in bedrijfsleven en bij maatschappelijke organisaties. Al nadenkend over mijn eerste reactie kwam mij een presentatie-sessie voor de geest van een beleidsplan waarbij helemaal aan het einde van de sessie een vrouw schuchter de opmerking maakte: ‘Het ziet er allemaal zo goed en doordacht uit. Maar is er nog ruimte voor God?’
Ik hoorde daarin: Is er nog ruimte voor Gods eigen activiteit en spreken? Ruimte voor God als de levende God? Het werd slechts aangehoord. Het ‘Credo’ was toch in het plan verondersteld en genoemd? Maar daar ging het die vrouw mijns inziens niet om.
De kritische rol van de Geest
Vaak heb ik me afgevraagd: Zit de Geest wel op onze beleidsplannen te wachten? Hebben we de Geest niet uit onze plannen verdreven?
En als we dan toch over de rol van de Geest bij een beleidsplan willen spreken, is dat dan niet een kritische rol? De Geest is toch de Geest die oordeelt en vernieuwt? Een Geest die de levende relatie zoekt? Die laat zich niet opsluiten in een abstract ‘Credo’ vermeld op pagina zoveel van een beleidsplan.
Waartoe dient een kerkelijk beleidsplan? Is het niet om organisatorisch te faciliteren al wat luisterend en biddend wacht op God? Daarmee gaan we verder dan wat normaliter verstaan wordt onder ‘beleid’. Beleid bestaat kerkelijk veeleer uit ‘ruimte maken voor’.
De Lutherse hoogleraar Andrew Root wijst er in zijn geschriften in allerlei toonaarden op dat - net zoals het bovengenoemde schuchtere gemeentelid deed - de diep persoonlijke vraag naar God zelf, naar Gods spreken en komen, in kerkelijk beleid steeds meer op de achtergrond is geraakt. Voor hem hoort dit wachten op God, en dit uitzien naar de God die spreekt en komt, de kernactiviteit van een gemeente te zijn. Hij typeert dit wachten op God, persoonlijk en met anderen gemeenteleden gedeeld, als een hoopvol uitkijken naar de komst van de ene alles vernieuwde actie die ons kan redden; de actie die steeds weer hier en nu leven geeft in het concrete wereldlijke bestaan waarvan we deel uitmaken.
Geldt deze kritische rol van de Geest alleen voor de kerk of ook voor beleidvorming in organisaties buiten de kerk? Misschien dat deze vraagstelling vreemd overkomt. Het gaat in maatschappelijke organisaties toch niet om de Geest, maar om – bijvoorbeeld - een product?
Maar je kunt als kerk leren van de organisatorische kracht uit het bedrijfsleven en daar nuttig gebruik van maken. Mijn stelling is dat seculiere beleidstheorieën veel minder neutraal zijn dan veelal wordt verondersteld. Zij gaan uit van een maakbaarheid van de toekomst en doen dat met een logica vanuit seculier perspectief die neutraal aandoet, maar dat niet is.
Hoe werkt het in de maatschappij en wat kan de kerk daarvan dan leren? Een Credo is een basisprincipe. Het is iets waar je in gelooft, een visie. Maar alleen met een Credo kom je niet bij het einddoel dat je voor ogen staat, namelijk: groei. Je Credo op zich brengt geen groei. Daar moet een aansprekend en energiek beleids-en activiteitenplan voor gaan zorgen. In managementtaal: het wereldlijke succes van je Credo is afhankelijk van een goede strategie-implementatie en van de daartoe ingezette organisatorische processen.
De mensen die voor het welslagen van deze groei verantwoordelijk worden gemaakt, worden in dit management helaas al gauw als productiemiddel - bijproduct - gezien. Waar een Credo, deze manier denken en doen, consequent tot in extremis wordt doorgevoerd, verdwijnt de mens zelfs geheel uit beeld.
Wat ik daarbij in mijn coaching-praktijk ervaren heb: deze logica heeft iets verleidelijks. Mensen gaan erin geloven. Ze raken ondertussen uitgeput en branden op; hun innerlijke accu wordt steeds leger. En om de accu enigszins op te laden besteden ze hun leven uit aan invloedrijke en massaal nagevolgde instanties voor geluksgevoel en levensvulling. Deze instanties op hun beurt hebben veel baat bij dit uitbestedingsgedrag en zullen alles in het werk stellen om dat te stimuleren en activeren. Zo neutraal is het dus allemaal niet in het ‘wereldse’ leven. Het zijn machten.
Tot de kerk zou ik willen zeggen: leer hiervan. Besef wat een Credo is en waar een beleidsplan voor dient. Laat het alle ruimte scheppen voor de mensen die het gaan uitvoeren; laat het ruimte-scheppend zijn voor de Heilige Geest.
Jan Willem Kirpestein
Geest en beleid