en een tijd van oorlog
Algemeen
Samenwerken luidt de mantra uit de Troonrede. Het wordt in alle toonaarden herhaald. Dat blijkt dus binnen het kabinet al moeilijk, laat staan in het parlement. Er wordt in veel plaatselijke colleges van B&W en gemeenteraden beter samen gewerkt dan daar. Met redelijkheid, kennis en de bereidheid elkaar iets te gunnen zou je al die ingewikkelde dossiers die zich maar opstapelen op kunnen lossen. Maar is dat de bedoeling wel? Bijna iedereen staat op zijn grote gelijk. ‘Er is een tijd van vrede en er is een tijd van oorlog’, zegt de Prediker, berustend. ‘t Is kennelijk ‘een tijd van oorlog’. Van ophef, het opblazen van tegenstellingen, van heftige opwinding. En een compromis sluiten als zwakte zien. De nefesj wil de baas spelen en de ander tot zwijgen brengen. Het geweld, de oorlog fascineert.
In ‘Castellio gegen Calvin’ (1936), geschreven dus in een bedreigende tijd, gaat de Joodse schrijver en chroniqueur Stefan Zweig op deze omslag in. De afwisseling van vrede en oorlog is, zegt hij, niet tegen te houden. Het zit in de mens dat overvloed onbehagen schept en rust verveelt en dat hij door oorlogsgeweld wordt gefascineerd.
‘Vrijheid. Geschiedenis is en vloed. Nooit is een recht voor altijd verworven en geen vrijheid blijft verzekerd tegen telkens andere vormen van geweld. Ook het meest vanzelfsprekende zal telkens blijken opnieuw van een vraagteken te worden voorzien. (..) Juist als vrijheid als een normaal goed wordt beschouwd en niet meer als kostbaar bezit wordt ervaren.. juist dan proberen duistere krachten deze vrijheid te overweldigen; altijd wanneer de mensheid zich ergens lang en zorgeloos over verheugd heeft, kan ze overvallen worden door de gevaarlijke nieuwsgierigheid naar de roes van de kracht en de misdadige honger naar geweld en oorlog. Waar zich die ontwikkeling voordoet, schijnt de mensheid zich voor de zoveelste keer terug te ontwikkelen. En zoals bij een stormvloed bestaat het gevaar dat zelfs de stevigste dammen en dijken breken. De muren van het recht storten in en de bloedige woede van de horde en slaafse volgzaamheid van de kudde krijgen dan de overhand’. Dat beeld stemt niet vrolijk. Vooral omdat de ontwikkelingen die hij schetst al zo herkenbaar zijn.
Wat Zweig hierop laat volgen is dat de idee van geestelijke vrijheid zich wel kan terugtrekken maar ten diepste onoverwinnelijk is. ‘Want met ieder mens wordt een nieuw geweten geboren en altijd zal iemand zich bezinnen op zijn geestelijke plicht om de onveranderlijke rechten van de mensheid en menselijkheid te verdedigen..’ Dat is een troost. Maar wat is het belangrijk om inzicht te vragen de geesten te onderscheiden en nu het nog kan door de Heilige Geest geleid voor de vrede en vrijheid te strijden.
Arien Treuren