Deel 1: Partijman wezen, wil ik niet.
Algemeen
Liefhebbers van de kerkgeschiedenis van de negentiende eeuw kunnen hun hart in de eerste helft van dit jaar ophalen. Ik noem het een en ander. Om te beginnen: de biografie van Nicolaas Beets van de hand van Rik Honings is verschenen. Vervolgens: de Theologische Universiteit Utrecht organiseert op 22 mei een symposium ter gelegenheid van de 150ste sterfdag van Guillaume Groen van Prinsterer, in de Waalse kerk aan het Noordeinde in Den Haag. Ten slotte: de Stichting Réveil-Archief houdt op 14 juni een ‘nazatendag’, in de Doopsgezinde kerk aan de Singel in Amsterdam.
In deze bijdrage sta ik stil bij Beets en de Confessionele Vereniging. Toen die in 1864 werd opgericht, sloot hij zich er niet bij aan. Dat blijkt uit een brief van ds. O.G. Heldring. Wie de biografie van Beets tot 1864 leest, verbaast zich daar niet over.
Plaats op de achtergrond
Volgens Honings had Beets genoeg van vergaderingen die niets opleverden. In de brief aan Heldring schreef Beets over een verwijt dat hem vaak getroffen had: dat hij door zijn positie te veel invloed had en het streven verlamde van degenen die verandering nastreefden. Hij koos voortaan voor een plaats op de achtergrond, want hij wilde die invloed helemaal niet. In zijn hart was plaats voor het besef dat anderen gelijk konden hebben en dat hij zelf dwaalde.
Honings citeert uit de brief, en wel uit de door P.D. Chantepie de la Saussaye uitgegeven biografie van Beets: ‘Welaan, laat dan de anderen het woord alleen hebben, en tot de zoozeer gewenschte daden overgaan.’
Overigens stelt Honings dat er voor Beets nog een andere reden was om niet met het initiatief tot oprichting van de Confessionele Vereniging mee te doen. Na de dood van zijn eerste vrouw en twee van zijn kinderen had hij zich geleidelijk uit het openbare leven teruggetrokken.
Beets en het Réveil
Al deed Beets niet mee met de oprichting van de Confessionele Vereniging, hij was altijd een orthodox predikant geweest, en dat zou hij blijven. Hij voelde zich vooral verwant met het Réveil. Al in zijn jeugd bewonderde hij Willem Bilderdijk. In de periode van zijn eerste gemeente – Heemstede, 1840-1854 – ontstond vriendschap met Willem de Clercq en Isaäc da Costa. Tevens onderhield hij contact met Abraham Capadose.
De naam ‘Beets’ komt ook vaak voor in de correspondentie van Groen van Prinsterer, die dertien jaar ouder was dan hij. Via Da Costa, die zich altijd positief over Beets uitliet en hem een ‘lieve en liefhebbende broeder’ noemde, kwam hij met Groen van Prinsterer aanraking.
Hier moet ook Heldring, de man die orthodox christendom en maatschappelijke betrokkenheid combineerde – hij was de man van Asyl Steenbeek – nog genoemd worden. Beets en Heldring waren tot Heldrings dood in 1876 bevriend.
Beets was een trouw bezoeker van de bijeenkomsten van de Revéil-kring ‘Christelijke Vrienden’. Hij publiceerde ook in het tijdschrift De Christelijke Vrienden. Vooral de zending sprak hem bijzonder aan.
Toenemende afstand
In de loop der jaren ontwikkelde Beets enige afstand tot het Réveil, het leidde zelfs tot verwijdering. – In de kring van de Christelijke Vrienden werd van gedachten gewisseld over de noodzaak om de Nederlandse Hervormde Kerk in haar oude vorm te herstellen, zoals in de tijd van de synode van Dordrecht (1618-1619). Op 20 oktober 1847 spraken de ‘broeders’ over de betreurenswaardige toestand van de kerk en over de vraag in hoeverre die te wijten was aan de ‘getrouwe lidmaten’. Dat leidde tot een opstandige stemming.
Op 3 en 4 mei 1848 kwamen de Christelijke Vrienden opnieuw samen. Heldring deed toen het voorstel om tot een meer orthodoxe vertegenwoordiging van de kerk in de samenstelling van de besturen te komen. Daarop nam Beets het woord. Hij verzette zich tegen alles wat een crisis in de kerk zou kunnen veroorzaken.
Da Costa, Heldring, Groen van Prinsterer en vier anderen namen het initiatief om op 18 augustus weer bijeen te komen met als doel te praten over de mogelijkheden om ‘bandeloosheid en wanorde’ uit te bannen en de kerk op haar oorspronkelijke, orthodoxe grondslag te herstellen. Tot zijn verbazing ontving Beets van Groen van Prinsterer het verzoek om bij deze vergadering als voorzitter op te treden.
Beets deed het niet. Zijn voornaamste reden was, dat de vergadering niet zijn volkomen sympathie had. Hij bleef erbij dat hij ‘om des Koninkrijk Gods wil’ gekant was tegen alles wat een crisis in de kerk zou kunnen provoceren of bespoedigen. Hij had zelf ook kritiek op de gang van zaken in de kerk, maar hij vond dat de leden de rijen moesten sluiten. Hij wilde geen bijdrage leveren aan het creëren van tweespalt en afscheiding.
Honings legt uit dat de weigering van Beets gezien moet worden tegen de achtergrond van de politieke onrust in Europa. Meerdere landen waren in die tijd in de ban van liberale revoluties. Dat had in februari tot geweld en bloedvergieten geleid. In Nederland had de beroering tot gevolg gehad dat koning Willem II met een nieuwe grondwet had ingestemd, teneinde vergelijkbare toestanden als in Frankrijk te voorkomen.
Scheiding der geesten
Het was niet de laatste keer dat Beets afstand nam van de lijn van De Costa en Groen van Prinsterer, omdat hij die te radicaal vond. Hij kreeg in toenemende mate afkeer van partijzucht en weigerde zich voor één richting uit te spreken. In 1852 schreef hij een brief aan De Costa, waarin hij het ‘geschrijf’ van Groen van Prinsterer als ‘tergend, tartend, verbitterd en verbitterend’ kwalificeerde. Naar zijn mening maakte de man een karikatuur van de werkelijkheid door te suggereren dat er slechts ‘ontrouwe leeraars’ en ‘vrienden’ waren. Hij pleitte voor nuance.
dr. Jan Dirk Wassenaar
Kerk