
Het christelijk geloof
als legitimatie van
nationale politiek
De Russische president Vladimir Poetin laat zich op belangrijke momenten graag door representanten van de Orthodoxe kerk omringen. Zijn Amerikaanse ambtsgenoot Donald Trump laat zich in de Oval Office zegenen door tal van evangelische christelijke leiders. Beide leiders genieten brede christelijke steun in eigen land. Ook president Victor Orban uit Hongarije laat zich graag in christelijke kring zien. In eigen land kan Forum voor Democratie zich eveneens beroepen op een deels actief christelijke achterban. Wat is er met het christendom aan de hand?
Het christelijk geloof
als religie
In Confessioneel Credo van 6 maart schreef Wilbert Dekker een lezenswaardig artikel over Theologie tussen nationalisme en imperialisme. Ik lees zijn artikel als een vraag naar een christelijke positiebepaling. Ik ben het in veel opzichten met hem eens. Toch zou ik in het huidige politieke landschap een aantal andere accenten willen plaatsen. Ik denk dat de (problematische) relatie van het christelijk geloof en de politiek samenhangt met de vraag van de relatie tussen religie en politiek.
Het christelijk geloof functioneert in onze wereld als een religie. De nog levende volgelingen van Karl Barth zullen gruwen bij deze gedachte, maar het lijkt mij in de praktijk niet te ontkennen. Ook het christelijk geloof vervult het verlangen van de mens die hunkert naar religie. Nu is het een eigenschap van religie om het aardse leven een betekenisvol kader te geven. Religie legitimeert vaak een bestaande maatschappij. Koninklijk gezag is door God gegeven. Onderdanen moeten zich onderwerpen aan de door God geschapen orde.
Het oudtestamentische
Jodendom
Vanaf het begin van zijn bestaan als volk is religie en politiek in Israël nauw met elkaar verbonden. De wetten van Mozes regelen zowel de religieuze als politieke verhoudingen. De bouw van de tempel in Jeruzalem vindt plaats op koninklijk initiatief. De vraag of Israël trouw is aan de HEER hangt vooral af welke politiek door de koningen van Israël en Juda gevolgd wordt. Na de Babylonische ballingschap wordt deze rol overgenomen door de Perzische koning. In Jesaja 45:1 is Cyrus, de Perzische koning, zelfs de messias van de HEER. Evangelische christenen in de Verenigde Staten passen deze tekst graag toe op Donald Trump. Trump is dan de Cyrus van onze tijd.
De nauwe verwevenheid tussen het religieuze Jodendom en de politiek heeft eigenlijk tot de val van Jeruzalem in 70 na Christus bestaan. Het leidde, zeker in de tijd van de Makkabeeën in de tweede eeuw voor Christus, wel tot intern Joodse spanningen. Moderniseringen in de religieuze praktijk werden gezien als verraad aan het geloof van de vaderen. Maar uiteindelijk bleef de nauwe band tussen politiek en religieuze praktijk.
In oudtestamentische tijden leefde de vaste overtuiging dat de HEER aan de kant van Israël zou meestrijden in de oorlog. Een mooie illustratie van dit geloof is de in Exodus 17:8-16 beschreven strijd tegen Amelek. Zolang Mozes zijn handen ophief wonnen de Israëlieten. Daarom ondersteunden Aäron en Chur zijn armen tot de overwinning behaald was. In het boek Jozua gaat de ark van het verbond vooraan bij de inname van het beloofde land. In 1 Samuël 4 zien de Israëlieten de ark van de HEER als beslissende factor in de strijd met de Filistijnen. Dat loopt daar verkeerd af. Maar als het verkeerd afloopt, ligt de oorzaak niet in Gods onmacht maar in zijn toorn over het volk. Militaire nederlagen zijn altijd oproepen dat het volk zich moet bekeren.
Het nieuwtestamentisch
perspectief
Het christendom ontstond als Joodse sekte buiten een direct politieke invloedssfeer. Jezus trad volgens de evangeliën naar Matteüs, Marcus en Lucas aanvankelijk vooral op in Galilea. Dat maakte hem tot een politieke outsider. In de overgeleverde prediking van Jezus gaat het zelden om politieke stellingnames. Natuurlijk kon de aankondiging van het komende rijk van God als politieke bedreiging worden geïnterpreteerd. Maar dat Jezus’ koninkrijk niet van deze wereld was, wordt volgens de evangelist Johannes zelfs door Pilatus begrepen (19:6).
De enige ons overgeleverde uitspraak van Jezus waarin Hij zich tot het politieke bedrijf van zijn dagen verhoudt, is Marcus 12:17: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ Dat is dan het antwoord op de vraag: ‘Is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet? Moeten we betalen of niet?’ Jezus en het latere vroege christendom weigeren hier stelling te nemen tegen de overheid. De overheid wordt als macht erkend. Maar haar beslissingen worden verder niet gelegitimeerd.
De apostel Paulus werkt die stellingname tegenover het politieke gezag uit in Romeinen 13. ‘Iedereen moet de autoriteit van het bevoegd gezag erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen de orde die God heeft bepaald, en wie dat doet roept zijn veroordeling over zich af ‘(1-2). Je zou deze houding redelijk stoïcijns kunnen noemen. Wie zich tegen de macht verzet, krijgt daar alleen maar ‘gedoe’ van. Dat ‘gedoe’ is het niet waard. Het is duidelijk dat Paulus zich nooit de vraag heeft gesteld hoe een land vanuit christelijke beginselen geleid kan worden. Dat lag buiten zijn voorstellingswereld.
Het christendom als
staatsgodsdienst
Na de wende van Constantijn wordt het christendom onder keizer Theodosius I in 380 zodanig bevoordeeld dat het feitelijk de staatsgodsdienst werd. Op dat moment moet de christelijke theologie vanuit deze nieuwe rol het staatsgezag en de door dat gezag genomen beslissingen legitimeren.
Dat blijkt in de daaropvolgende eeuwen een problematische rol te zijn. Militaire expansie wordt gelegitimeerd als christelijke zendingsopdracht. Lastige oppositie blijkt van ketters te komen. De identificatie van oppositie als ketters maakt een uiterst wreed optreden tegen hen acceptabel. In een systeem waarin het christendom dient ter legitimatie van het zittende gezag, is er nauwelijks ruimte voor een eigen profetisch geluid van de kerk.
De vrijheid van de
profetische kerk
In Nederland heeft in het bijzonder de Nederlandse Hervormde Kerk tot na de Tweede Wereldoorlog een staatsgezag legitimerende rol gehad. Predikanten in de negentiende eeuw waren aan de staat dienstige ambtenaren. Pas in de tweede helft van de jaren veertig in de twintigste eeuw ontstaat er in deze kerk veel aandacht voor het profetische spreken van de kerk tegen land en volk. De theologische legitimatie wordt geleverd door de theologie van Karl Barth (1886-1968). Barth verzette zich tegen een christendom dat voldeed aan een religieuze behoefte. Gods spreken is bij hem altijd een tegenover. Het gaf de kerk de ruimte zich een nieuwe kritische plaats in de maatschappij te verwerven.
In West-Europa was Nederland geen uitzondering. De kerken in Duitsland, Groot-Brittannië, België en Frankrijk, Zwitserland en de Scandinavische landen maakten een vergelijkbare ontwikkeling door. Buiten Europa zou hier de Zuid-Amerikaanse bevrijdingstheologie te noemen zijn.
Toch nog een religie …
De vrijheid van de profetische kerk is niet overal omarmd. In veel landen uit het voormalige Oostblok en in de Verenigde Staten zijn christenen blijven dromen van een religie als staatsgodsdienst. Prelaten zegenen wapens en bidden voor een succesvolle oorlog. Volgens mij is de wereldwijde oecumenische dialoog genoeg reden om de theologie van Karl Barth weer eens vernieuwd onder de aandacht te brengen.
Wim de Ruyter